10 aandachtspunten voor het rekenonderwijs
- bedoeld voor wiskundesecties in het voortgezet onderwijs -
Rekenen is een veel besproken onderwerp en komt uitvoerig terug op conferenties en studiedagen. En er is een veelheid aan informatie voor schoolleiders, rekencoördinatoren en docenten. Rekenen heeft veel raakvlakken met wiskunde, waardoor wiskundesecties zich vaak over het rekenonderwijs moeten ontfermen. Waar moet je als sectie nu op letten?
We hebben geprobeerd de aanwezige informatie terug te brengen tot tien aandachtspunten waarvan we vinden dat wiskundesecties zich bewust moeten zijn.
Voor: sectie wiskunde
Door: Platform Wiskunde Nederland – Onderwijscommissie
Met vragen of opmerkingen kunt u contact opnemen met de voorzitter van commissie Onderwijs of met het Bureau van PWN.
Download de tekst op deze pagina als pdf-bestand:
Tien aandachtspunten voor het rekenonderwijs.
1. Verantwoordelijkheid
Het is aan te bevelen een rekencoördinator te benoemen die in de school breed om aandacht vraagt om de resultaten van leerlingen te verhogen. Hoe meer vakken en docenten ingezet worden, hoe groter de kans is dat leerlingen het functionele rekenen uitbreiden en onderhouden.
In de onderbouw havo/vwo en op het gehele vmbo bevelen wij aan zoveel mogelijk docenten en vakken te laten meedenken en -doen in het verhogen van de rekenprestaties. Als op veel plaatsen leerlingen iets doen aan rekenen in betekenisvolle situaties, dan heeft dat veel meer effect op het rekenniveau dan het beperken tot trainen van bewerkingen in een geïsoleerde setting.
In de bovenbouw h/v kunnen wij ons voorstellen dat rekenen geïntegreerd wordt in de wiskundevakken, mits daarvoor extra studielast en contacturen beschikbaar komen. AIs aan deze randvoorwaarde niet is voldaan, dan zal aandacht voor rekenen in de wiskundeles het wiskundeprogramma alleen nog maar meer onder druk zetten.
2. Welke vakken, en hoe dan?
Wil de school aparte rekenlessen, rekenen bij wiskunde, rekenen in andere rekenvakken of rekenen in alle vakken? Wees daarbij alert dat niet hetzelfde aanbod bij rekenen en wiskunde ontstaat.
Rond rekenen in andere vakken is een mooi overzicht ontwikkeld door het Freudenthal Instituut (FI), dat de rekeninhouden in de verschillende vakken laat zien. Een voordeel van rekenen in de andere vakken is de meerwaarde voor de leerlingen: rekenen wordt zo eerder gezien als logisch onderdeel van veel onderwerpen. Bovendien is er meer aandacht voor het betekenisvol gebruik en komt het de gecijferdheid ten goede. Een nadeel is dat het moeilijker te organiseren is. Docenten moeten zich rekenzeker voelen. Bovendien komen vaardigheden op verschillende momenten in de vakken aan bod, dit kan een knelpunt zijn.
3. Brede opvatting op rekenen
Bestudeer de brede visie op rekenen zoals die in het Referentiekader rekenen verwoord is. In dit kader worden vier rekendomeinen genoemd, die vergelijkbaar zijn met internationale frameworks rond rekenen en wiskunde. Het gaat om de domeinen getallen, verhoudingen, meten en meetkunde, verbanden. Verder maakt het referentiekader een indeling in typen kennis en vaardigheden: Paraat hebben, functioneel gebruiken, weten waarom.
Bespreek binnen de werkgroep/school de visie op rekenen en de verschillende doelen die je kunt nastreven met het rekenonderwijs, te weten:
- gericht zijn op bewerkingen, en als voorbereiding op wiskunde
- gericht zijn op contextrijke rekenopgaven
- gericht zijn op gebruik in echte situaties uit het dagelijks leven (gecijferdheid)
Waar wil de school vervolgens op inzetten? Wil men alleen voldoen aan het wettelijk minimum (de toets halen)? Wil men dat de directe omgeving van de school (ouders, vervolgopleidingen) tevreden is over het rekenniveau van de leerlingen? Hecht men binnen de school groot belang aan taal en rekenen of wil de school zich hierop profileren? Dit bepaalt hoe het rekenonderwijs binnen de school wordt ingevuld.
4. Doelgroepen en problemen
Bekijk de huidige problemen en de instroom van leerlingen. Waar worden er problemen verwacht en hoe worden de verschillende doelgroepen benaderd?
Ontwikkel een speciale aanpak van rekenaars aan de randjes van de Gauss-kromme:
- Ernstige reken- en wiskundeproblemen en dyscalculie aan de ene kant
- Excellente en hoogbegaafde leerlingen aan de andere kant.
5. Zorg voor randvoorwaarden
Succes van een rekenbeleid hangt voor een groot deel af van goede begeleiding door docenten die op de hoogte zijn van de ontwikkelingen in goed rekenonderwijs.
Daarnaast zijn de volgende randvoorwaarden van belang:
- zorg voor voldoende contacttijd;
- bekijk toetsen die rond de referentieniveaus zijn ontwikkeld;
- weet waar je informatie vandaan kan halen rond rekenen;
- ga in gesprek met collega's;
- zorg dat afspraken vastliggen, bij voorkeur aan de hand van een rekenbeleidsplan.
6. Resultaten
Denk na over wat men wil bereiken met welke groep? Rekenzwakke leerlingen? Excellente leerlingen? Leerlingen zonder wiskunde in het pakket?
Hoe monitoren we de voortgang? Is er behoefte aan een leerlingvolgsysteem?
Is er behoefte aan een instaptoets en wat wordt er dan met de resultaten gedaan?
7. Contacten met primair onderwijs
Het is goed om contacten met het primair onderwijs te hebben voor aansluiting en overdracht, bijvoorbeeld rond rekenzwakke leerlingen. Dit kan via een netwerk met omliggende basisscholen. Verdiep je in basisschooldidactiek. Wees je bewust van de stappen in het leerproces (concrete situaties, schematische weergave, formele bewerkingen) en vooral wat je van een leerling kan verwachten.
8. Rekenmachine
Inzet rekenmachine: bij rekenen, bij wiskunde, bij andere vakken? Wanneer wel en wanneer niet?
De rekenmachine is niet weg te denken uit het dagelijkse leven. Maar de rekenmachine kan niet rekeninzicht, schattend rekenen en probleemoplossend vermogen vervangen. Hoe leer je leerlingen verantwoord rekenmachine-gebruik? Wat streef je na als voorbereiding op de maatschappij van de 21e eeuw?
9. Rekenen in de les - drieslagmodel
Als laatste een keuze voor materiaal, digitaal, oefenen etc. Hoe wordt dat ingezet? Welk soort begeleiding is nodig door welk soort docent?
Zorg voor afwisseling tussen inoefenen, context (authentieke opgaven) en onderwijsleergesprek (feedback). Hierbij kan het drieslagmodel (zie figuur) als denkmodel dienen voor het ontwikkelen van het rekenbeleid.
10. Zelfvertrouwen
Een flink deal van de rekenproblematiek heeft ook te maken met de beleving van rekenen door de leerlingen (denk aan faalangst, rekenangst, negatieve ervaringen in de rekenles). Werk ook aan zelfvertrouwen en plezier in rekenen. Bijvoorbeeld door het nut van rekenen te laten zien in allerlei situaties, maar ook door oefeningen op een productieve en speelse wijze aan te bieden.
Kortom: rekenonderwijs met inspiratie en elan!